B
![]() |
| Brandpuntsafstand: de afstand van het centrum van de lens tot het projectievlak. |
Beeldgrootte
Niet te verwarren met Bestandsgrootte (zie verder). Een foto-bestand heeft geen afmetingen, maar alleen pixels – bijvoorbeeld 640x480.
Als dit bestand 1:1 op een beeldscherm met 1280x1024 pixels wordt afgebeeld, beslaat het ongeveer ¼ van de oppervlakte van dat scherm. Maar aangezien je grote en kleine schermen hebt, zegt dat dus niets over de werkelijke maten van die foto.
In de meeste (foto)programma’s kun je zo’n bestand op elke gewenste grootte afbeelden en afdrukken. Maar het is natuurlijk duidelijk dat als je een bestand met relatief weinig pixels (zoals 640x480) vrij groot afbeeldt of afdrukt, dat de kwaliteit dan slecht wordt omdat de resolutie dan te laag is (zie Resolutie en DPI).
Opmerking: om de maximale maat in centimeters voor een prima afdruk te weten, moet je het aantal pixels delen door 100 (dat getal correspondeert met een resolutie van ongeveer 250 dpi).
Beeldhoek
Zie Brandpuntsafstand.
Beeldpunten
De beeldpunten horizontaal en verticaal leveren vermenigvuldigd een totaal aantal punten of pixels op. Bestaat het totale beeld uit een miljoen pixels, dan spreken we van megapixels. Er zijn al camera's op de markt van 8 megapixels. Hoe groter het aantal pixels, hoe groter je kunt afdrukken (zie Beeldgrootte).
Opmerking: een 3,4 megapixel SuperCCD kan een 6,1 megapixel afbeelding met 3040 x 2016 pixels genereren.
Beeldverhouding (aspectratio)
De verhouding van breedte en hoogte in centimeters, inches of pixels van een afdruk, beeldscherm of camera-sensor. Gebruikelijke verhoudingen zijn 3:2, 4:3, 5:4 en 16:9 (of 16:10).
Bij compactcamera’s meestal 4:3 en bij spiegelreflexcamera's meestal 3:2. Vaak instelbaar.
In het artikel over Beeldverhouding lees je er meer over, want het is een belangrijk onderwerp.
Belichtingsreeks
Reeks dezelfde opnamen die onderling verschillen in belichting. Meestal zijn de intervallen 1/3 of ½ meer of minder stops dan de gemeten belichtingstijd. Hierdoor wordt de kans op een perfect belichte opname groter, en kan men kleurintensiteit, belichtingsspeelruimte etc. van de film testen.
Belichtingsspeelruimte
De speelruimte die een film heeft om schaduwdetaillering te behouden zonder dat dat detail in de hoge lichten verloren gaat.
Belichtingsspeelruimte (latitude)
De hoeveelheid over- en onderbelichting die bij een bepaalde film nog een acceptabel beeld produceert. Diafilms hebben meestal een werkbereik van maximaal +1 tot –1 stops. Kleurenfilms hebben een groter bereik van +3 tot –1 stops.
Belichtingstrap
De methode om naast een opname op de aangegeven belichtingswaarde één of meer extra opnamen te maken, die boven of onder de gemeten waarde liggen.
Belichtingswaarde
De belichtingstijddiafragma combinatie die een correcte belichting oplevert. Zo'n combinatie wordt in het engels Exposure Value (EV) genoemd.
Bestandsgrootte
De bestandsgrootte in kilobytes (KB) of megabytes (MB) van een digitale foto is van diverse factoren afhankelijk. De belangrijkste daarvan zijn: Het aantal pixels in de foto, kleurdiepte (meestal 3x8=24 bits), het aantal kleurlagen (1 bij zwart-wit en meestal 3 bij kleurenfoto's), de eventueel gebruikte compressietechniek, de mate van compressie en eventuele samen met de foto opgeslagen informatie die geen onderdeel van het beeld zijn.
Bestandsnamen
Digitale camera's produceren bestandsnamen die bestaan uit een paar letters die meestal karakteristiek zijn voor het cameramerk en dan een volgnummer met 4 of meer cijfers, bijvoorbeeld DSC0123 of HPIM2345 of P103567. Daardoor kun je die foto's in de volgorde van de gemaakte opnamen sorteren, dus het veranderen van deze namen in fantasietekst zoals "Verjaardagsfeestje" kan erg onverstandig zijn, tenzij het om een willekeurige foto in de map "Diversen" gaat. Weliswaar kun je als alternatief op datum sorteren, maar als het daar ook een rommeltje mee is, kun je helemaal niet meer sorteren - tenzij op wat je op de beeldjes zelf ziet en dat kan heel lastig en tijdrovend zijn.
Achter deze "voornaam" staat de bestandsextensie: een punt gevolgd door 3 letters die het bestandstype aan-geven, bijvoorbeeld DSC0123.JPG of IMG_3456.CR2 (een RAW-bestand uit een Canon-spiegelreflexcamera).
Zie het artikel over "Naam wijzigen" in de Picasa-handleiding op deze website.
Bestandstypen
Ook wel bestandsformaten genoemd, maar dat is verwarrend. Er zijn vele typen die meestal met de afkorting worden aangeduid die ook in de extensie van die bestanden wordt gebruikt (de drie letters achter de punt), zoals BMP, GIF, JP(E)G, PNG, TIF(F) en nog veel meer. Normale fotobestanden zijn JPG-bestanden omdat die door een speciale compressiemethode minstens 10x zo "klein" zijn (in KB of MB) dan BMP-bestanden, zonder dat de beeldkwaliteit erg slecht wordt.
Bit (Binary Digit)
De kleinste eenheid van informatie in een computer, een 1 of een 0. Een bit kan twee toestanden aangeven (aan of uit). Eén byte bestaat uit 8 bits, bijvoorbeeld 10110110 (= 181).
Bitdiepte
Het aantal bits dat per pixel wordt gebruikt om informatie op te slaan. Een bitdiepte van 1 betekent alleen puur zwart en puur wit. Voor het opslaan van grijswaarden zijn 8 bits meestal voldoende, terwijl een kleurenfoto een bitdiepte van 3x8 = 24 bits heeft. Dat correspondeert met ruim 16 miljoen mogelijke kleurnuances, maar in de praktijk zijn dat er bijvoorbeeld maar 100.000.
BMP Bitmap bestand
Het basisbestandstype in Windows voor afbeeldingen. Deze bestandsindeling maakt meestal geen gebruik van compressietechnieken, waardoor bitmapbestanden erg groot kunnen worden en daarmee niet erg geschikt zijn voor fotografie. Zie Bestandstypen.
Bracketing
In de Bracketing stand kiest de camera voor een serie opnamen (naar keuze 3, 5 of 7) met verschillende belichtingen. Het belichtingsverschil per opname kan door uzelf worden ingesteld op 0.3, 0.5, 0.7 of 1.0 stop. Daardoor ontstaat een zogenaamd belichtingstrapje dat varieert van onderbelicht, via normaal, naar overbelicht. Dus is het gemakkelijker om later de best belichte opname uit te kiezen. Een heel praktisch hulpmiddel bij moeilijke lichtomstandigheden en bij het fotograferen op diafilm.
Brandpuntsafstand
De brandpuntsafstanden van digitale spiegelreflexcamera's kunnen niet zonder meer vergeleken worden met die van kleinbeeldcamera's. Dit is het gevolg van het feit dat de beeldchips andere afmetingen hebben dan het kleinbeeld formaat (24x36 mm). Over het algemeen zijn ze (veel) kleiner. Dit verklaart waarom een brandpuntsafstand van 7 mm dezelfde beeldhoek op kan leveren als een 35 mm lens voor een kleinbeeldcamera. Diezelfde 7 mm lens zou een grotere beeldhoek beslaan wanner de beeldchip groter zou zijn. Andersom: hoe kleiner de beeldchip, hoe kleiner de beeldhoek (meer tele effect).
Opmerking: camera's kunnen worden ingesteld op minder pixels, bijvoorbeeld om kleinere bestanden te krijgen. Maar dat kan dus gevolgen hebben voor de beeldhoek van de lens, dus wees daarop attent en maak even wat proefopnamen.
Meer over dit onderwerp
| C camcorder -> contrast | Camcorder contrast canvas - begrippenlijst camera | |
| D data -> diafragma | Data diafragma - begrippen digitale camera | |
| Beeldverhouding | Beeldverhouding en bijsnijden digitale foto's | |
| Belichting | Belichting - tips voor goede belichting van digitale foto's | |
| Resolutie van foto's | Resolutie van foto's - DPI - wat is de beste resolutie? |
